De discussie over scheefwonen is al zo oud als de volkshuisvesting zelf. Ook nu weer laait deze hoog op: “scheefwoners zijn profiteurs van de sociale huisvesting”. Deze stellingname behoeft natuurlijk nuancering. In historisch perspectief, omdat de discussie keer op keer gevoerd wordt, met steeds dezelfde conclusie: scheefwonen heeft belangrijke positieve kanten -gedifferentieerde wijkopbouw en sociale binding van mensen aan hun buurt-.
In de huidige woningmarkt komt daar een belangrijke nuancering bij. Voor veel scheefwoners is er geen realistisch alternatief. Simpelweg omdat de koopsector te duur is. In theorie wonen zij scheef. In de praktijk niet. Het gaat voor het grootste deel om ‘theoretische scheefwoners’. Per regio verschilt deze groep. In de noordvleugel van de Randstad is de koopsector pas met een inkomen van vaak ruim boven € 43.000 te bereiken. Elders kun je met een inkomen van 33.614 net aan kopen. Nationale grenzen voor scheefheid zijn dus niet zinvol.
Landelijk heeft 32% van de huurders een inkomen boven €33.614. Deze theoretische scheefheid is niet oplosbaar. Mensen zijn niet ‘weg te pesten’. Kijken we naar een groep die wel alternatieven heeft, dan hebben we het over de feitelijke scheefheid. Dan gaat het om maximaal 15% van alle huishoudens in de sociale huursector; een substantiële maar kleine groep. En daarvoor zijn maatregelen bedacht: Huur op Maat of extra huurverhoging. Deze maatregelen brengen wel extra geld in het laatje, maar leiden niet tot minder scheefheid.
Onze conclusie is dan ook dat scheefwonen een terugkerend modeverschijnsel is, dat alleen tot uitdrukking komt in crisistijd. Dan kijkt de overheid begerig naar corporatiegelden. Laten we dus gewoon wachten tot de zon weer gaat schijnen. Want een beetje scheef… dat juffert wel!
