|
Conclusies ten aanzien van het kwantitatieve en kwalitatieve woningbouwprogramma Westelijke Mijnstreek
|
1.
|
Het huidige basisprogramma tot 2010 kent een overcapaciteit van bijna 1.700 woningen.
|
|
2.
|
De noodzaak om te komen tot herijking en bijstelling van het woningbouwprogramma is daarmee nadrukkelijk aanwezig, niet vanaf 2010 tot 2020, maar reeds op dit moment.
|
|
3.
|
De totale woningvoorraad mag over de periode 2006-2030 per saldo niet toenemen; en de afslankingsnoodzaak van de sociale huursector bedraagt circa 6.000 woningen in de periode tot 2030.
|
|
4.
|
Dit betekent feitelijk dat alle toe te voegen woningen beschouwd moeten worden als vervangende nieuwbouw, die als het ware vooruitlopend op de vernieuwing wordt gerealiseerd. De gewenste kwaliteit van de nieuwbouw moet dan absoluut aansluiten bij de vraag vanuit de transformatie.
|
|
5.
|
Het woningbouwprogramma van de toekomst bestaat dan ook niet meer zozeer uit uitbreidingsplannen maar zal nadrukkelijk in samenhang moeten worden gebracht met sloopplannen. Daarbij moet slopen gericht zijn op het uit de markt halen van kwaliteiten die niet meer voldoen aan de vraag, en moet nieuwbouw gericht zijn op het bieden van de kwaliteit waar vraag naar is.
|
|
6.
|
Een beleidsaccent op het aanwijzen van woningen die onvoldoende kwaliteit bieden en gesloopt dienen te worden, betekent nadenken over:
- Rol en verantwoordelijkheid van corporaties en marktpartijen en overheid. Het merendeel van dat wat gesloopt gaat worden bevindt zich in het woningbestand van de corporaties.
- Regionale aanpak en samenwerking. Het merendeel van de huurwoningvoorraad die voor sloop in aanmerking komt bevindt zich in de gemeente Sittard-Geleen.
- Een goede en op elkaar afgestemde fasering van nieuwbouw en sloop.
|
|
|